Over poëzie

Vanaf het moment dat ik eind jaren tachtig (weer) gedichten begon te schrijven, en helemaal toen dit in 2005 in een stroomversnelling kwam, drong de vraag zich op: wat is poëzie? In mijn zoektocht naar de poëzie hoopte ik misschien een groter raadsel te ontrafelen.

Ik las veel analyses van gedichten, keek elke maand uit naar de nieuwe Klassieker van Meander. Vergaapte mij aan de scherpe pen van Komrij in zijn gebundelde NRC-columns In Liefde Bloeyende (1997), Trou Moet Blycken (2001) en Kost en inwoning (2005). Las Het mechaniek van de ontroering (1995), waarin Rutger Kopland zijn fascinatie voor de poëzie onderzoekt. De Dichtersgesprekken (2005) van Marjoleine de Vos. Literair mechaniek (1999) van Erica van Boven en Gillis Dorleijn, waarin gereedschappen voor de analyse van poëzie en proza worden aangereikt. En nog veel meer.

Inmiddels is me duidelijk, dat de vraag ‘wat is poëzie’ niet formeel of eensluidend te beantwoorden is. Tegelijkertijd moet de vraag van tijd tot tijd gesteld worden. Al is het maar om onderscheid te kunnen maken tussen de kaskraker Gedichten van de broer van Roos (2018) van Tim Hofman en het overdonderende debuut Habitus (2018) van Radna Fabias. Hieronder verzamel ik een aantal uitspraken over poëzie. Geen gestructureerde onderneming, maar meer een plakboek van uitspraken die ik in krant, poëziebundel, interview of analyse tegenkom.

Poëzie moet, om tot steeds weer tot herlezen uit te nodigen, ofwel een zekere raadselachtigheid hebben, die je door die herlezing steeds dichter op de hielen lijkt te komen (daarbij laat ik in het midden of dat ook werkelijk zo is), ofwel een kwaliteit in taal die het gedicht tot een gezochte omgeving maakt, zoals bepaalde gedichten van Martinus Nijhoff of Hans Andreus, of, om nog iets verder van huis te gaan, van Eliot of Rilke dat hebben.

Peter Vermaat in zijn recensie over: Bert Bevers – Nederzettingen, Meander 18 januari 2019

Het analyseren van een gedicht vind ik een verkeerde methode. Volgens de leerboeken moet je in je eigen woorden navertellen waar het gedicht over gaat. Dat is helemaal contra wat een gedicht is. Hoe die dichter dat rare stukje werkelijkheid op papier krijgt, dat is interessant. Er ligt niet een schaduwgedicht onder een gedicht. De werkelijkheid van een tekst valt niet samen met de gewone werkelijkheid.

Gerrit Kouwenaar, Awater. Jaargang 1 (2002)
Met alle respect voor deze grote dichter: ik beschouw het analyseren van een gedicht als bijzonder leerzaam en verdiepend. Het analyseren is een zoektocht voor de criticus, en kan de lezer van de analyse nieuwe invalshoeken bieden. Een analyse is beslist iets anders dan “in je eigen woorden navertellen waar het gedicht over gaat”.

Er zijn dus meerdere interpretaties mogelijk en ook na uitvoerige bestudering blijkt de precieze betekenis niet te achterhalen. De betekenis ontstaat pas in het hoofd van de lezer, maar alleen als die bereid is om net als Vinkenoog het experiment met de taal aan te gaan.

Elly Woltjes en Joop Leibbrand in Klassieker nr. 6: Simon Vinkenoog – Ver als de horizon ben je

Analyse

Een goed gedicht is een wit scherm
waarop de lezer projecteert
wat hem in de weg zit
wat hem dierbaar is
hoe hij zich vandaag voelt.

Dit gedicht schreef ik een paar dagen voordat ik op het voorgaande citaat over een gedicht van Vinkenoog stuitte. “De betekenis ontstaat pas in het hoofd van de lezer”: dat betekent dus ook dat die betekenis mede afhankelijk is van de lezer, en zelfs van de situatie en stemming waarin hij/zij een gedicht leest of hoort.

De poëzie heeft mij geleerd dat er geen poëzie is. Er is ook geen proza. Er is TAAL als regel en we hebben een bepaalde aanleg die bestaat uit conventies met andere mogelijkheden als een bepaalde constructie . Dan kan alles.

Deze opmerking van Truus Roeygens (interview in Meander n.a.v. haar tweede prijs in de Turing gedichtenwedstrijd 2019) sluit nauw aan bij een gevoel dat ik het laatste jaar steeds vaker heb bij het recenseren van minder traditionele poëziebundels. Bijvoorbeeld bij het lezen van Habitus van Radna Fabias. Ik had aanvankelijk weerstand tegen deze bundel, vanwege de gebruikte vorm, en de minder geconcentreerde taal. Maar geleidelijk aan raakte ik juist onder de indruk van de enorme zeggingskracht van haar teksten. Dan is de vraag, in hoeverre het poëzie is volstrekt irrelevant.

De derde regel uit het citaat vind ik wat moeilijk te volgen. Ik lees het als: “Er is TAAL als regel met in aanleg bepaalde conventies, maar met ook ruime andere mogelijkheden dan een bepaalde constructie.” (Een lezing die volgens Truus Roeygens minimaal afwijkt van wat zijzelf bedoelde.)

 

Reacties gesloten.