Poëzie kan nooit over de werkelijkheid gaan

 

Aan het eind van onze tuin staat een perenboom,
hij staat er al lang, meer is er niet over te vertellen.
Midden juli staat hij vol in blad en vol in vrucht.
De bladeren zijn groen, de peren ook.
 
                                                                          Kijk,
hier schiet de taal onmiskenbaar tekort.
Natuurlijk kunt u de vruchten onderscheiden,
net iets geler, net iets bruiner, donkerder,
wie het weet mag het zeggen.
 
                                                           Af en toe
bewegen de takken met vreemd geraas.
Een mislukte duiflanding, de onhandigste
aller vogels. Halfrijm is hier op zijn plaats.
Het geraas houdt aan en even later vliegt
een kraai met in zijn snavel een hele peer,
spottend met de zwaartekracht, spottend
met alle regels van dit gedicht. U ziet:
de werkelijkheid staat ver boven de poëzie.

 

____

De titel van dit gedicht is geïnspireerd op de beginregels van ‘Aas’ van Cees Nooteboom:

Poëzie kan nooit over mij gaan,
noch ik over poëzie.
 
Ik schreef bovenstaand gedicht augustus 2016, de foto is van juli 2018. Eerst dacht ik nog, dat de perenroof een eenmalige gebeurtenis was. Maar op de zachte augustusavonden van 2016 heb ik nog meermalen een kraai met een peer ervandoor zien gaan. In de hete zomer van 2018 was het in juli al raak. Evenals voor de dichter uit ‘Aas’ brak voor mij een wachten aan:
 
Ik stond aan de straten waar de woorden wonen,
boeken, brieven, berichten,
en wachtte.
Ik heb altijd gewacht.
 
Alleen wachtte ik niet op de woorden (die had ik al), maar op een foto. Het ging daarbij ook vaak mis. Voor je het weet is de vogel weer gevlogen. 

 

Reacties gesloten.