ouder worden in de poëzie - dichters over de ouderdom - werk van oudere dichters
 
 

volgende gedicht

ouder worden in de poëzie - start

home

 
 
WAT WAS
 
Toen er niets meer dan afbraak overbleef
deed hij de glazen deuren langzaam open
en trad naar buiten en dacht: ik weerstreef
niet meer en zie van hopen en wanhopen
af nu het graf mij wacht. Ik heb geleefd,
gedronken en gegeten wat ik wilde
en alles wat ik in de avond schreef
blijft naast mij.

 

 

 

 

Adriaan Roland Holst

uit: ‘Voorlopig’.

Van Oorschot, 1976

commentaar

 
Dit gedicht is ontleend aan de laatste bundel van Adriaan Roland Holst, die verscheen in het achtentachtigste en laatste levensjaar van de dichter. Het illustreert één van de belangrijkste opgaven van de ouderdom: in het reine komen met het eigen levensproject. Zowel met alles wat tot stand is gebracht als met de beperkingen en mislukkingen. Aanvaarden dat de goede tijden voorbij zijn en dat de dood nadert. De dichter zegt: "Ik weerstreef niet meer". De Amerikaanse psycholoog Erikson noemt dit ‘ego-integriteit’: een samensmelting tussen het werkelijke zelf en het geïdeali­seerde zelf. Heel de laatste bundel van Roland Holst is te lezen als een worsteling met deze opgave, waarbij wanhoop en aanvaarding elkaar afwisselen. Ook het tweede gedicht van hem op deze site mondt uit in aanvaarding.